nsw-npfos1y8-7w5-pgvz3xzn0cbpqjr0u0chtzay-v881pyanhn4aqmqxircl-oq01k7l0z9wkb6-ca4pd5th8s-er42qo4qjpnl7xc6m6cfbs8fvnfwsuxhms7ou8pqdzz

 Graancirkel-route 

Torenvalk

De torenvalk (Falco tinnunculus) is een roofvogel uit de familie van de valkachtigen (Falconida). Een volwassen exemplaar meet 30 tot 38 centimeter, de spanwijdte van de vleugels is 75 cm. Jarenlang was het de meest talrijke roofvogel in ons land, maar dat is nu de buizerd.

Torenvalken komen in een groot deel van Europa voor. Het is vooral een kenmerkende vogel van het open land. De roofvogel laat zich zien op allerlei plaatsen, van weilanden en bosranden tot in steden en dorpen.

Door met snel bewegende vleugels en een gespreide staart tegen de wind in te vliegen kan een torenvalk volkomen stil in de lucht blijven hangen, ook wel "bidden" of “wiekelen” genoemd. Ondertussen kijkt het beest naar beneden, op zoek naar een prooi. Heeft hij een slachtoffer in het vizier, dan duikt hij er in een stootduik op af. Hij pakt uitsluitend prooien van de grond; kleine zoogdieren en grote insecten, vooral woelmuizen en kevers. Als er weinig muizen zijn, eet hij ook wel jonge weidevogels en mussen.

Zelf een nest bouwen, daar begint de torenvalk niet aan. De roofvogel kiest liever een bestaand kraaien- of eksternest of knotwilg als broedplaats. Hetzelfde geldt voor nestkasten, maar alleen als de valk goed zicht heeft op de ruimte waar hij speurt naar voedsel. Normaal produceert de torenvalk één legsel per jaar (4 tot 6 eieren). De broedperiode is april tot juli, de broedtijd 27 tot 31 dagen. Het vrouwtje broedt vrijwel alleen. Jongen zijn vliegvlug na 4 tot 5 weken.

 

Doorgaans is de torenvalk tamelijk zwijgzaam. Geluid maakt de vogel vooral bij het nest en tijdens de balts. Meest gehoord is "kie-kie-kie-kie-kie-kie…".